De Heidelbergse Catechismus gaat al zo’n 450 jaar mee in de gereformeerde kerk. Ofwel ongeveer 25 generaties. Het zou zomaar kunnen zijn dat al jouw voorvaders en – moeders dezelfde Catechismus hebben gekend. De laatste jaren is in veel kerken de Catechismus minder belangrijk gevonden. Hedendaagse thema’s die ons interesseren hebben de inhoud van de Catechismus verdrongen. Toch is dat geen winst. Veel mensen die de Catechismus saai en dor vinden, hebben de Catechismus nog nooit in 1 avond doorgelezen. Als ze dat wel zouden doen, is niet uit te sluiten dat ze verrast zouden zijn door de inhoud. Dat is de reden waarom – gebruikmakend van de uitleg van Dr. R.H. Bremmer in “52 open vensters” – hieronder een deel van de Catechismus beknopt wordt toegelicht.

Vraag 1: Wat is je enige troost in leven en sterven?

Antwoord: Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle macht van de duivel verlost. Hij bewaart mij zo, dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd kan vallen, ja zelfs zo, dat alles dienen moet tot mijn heil. Daarom geeft Hij mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven.

De mens in zijn totaliteit wordt hier aangesproken: niet alleen lichaam, maar ook ziel. En het gaat over ons hele bestaan: leven en sterven, vol onzekerheden. Maar je staat er niet alleen voor: er is een trouwe Heiland. Hij neemt je bij de hand, Hij houdt je vast in leven en sterven. Ik weet: er zijn zonden, maar voor die zonden is betaald. Met niet minder dan met het bloed van die Heiland. Het gaat in dit antwoord over mij zelf, over mijn trouwe Heiland en dan ook: over de duivel. Christus heeft de duivel overwonnen, zo ben ik uit zijn greep verlost. Dat is mijn troost. De opsteller van de Catechismus bedoelt met troost niet in de eerste plaats een gevoel, maar de conclusie van een overweging die je in alle rust maakt. Tegenover de realiteit van mijn zonde en schuld mag ik het volbrachte werk van Christus plaatsen.

Christus heeft mij duur gekocht, zou Hij mij als zijn eigendom dan niet met zorg bewaren? God de schepper, is door Jezus tegelijk onze Vader geworden. Hij zorgt voor ons. Alles wat mij overkomt moet dienen tot mijn einddoel: mijn redding. Wij zijn in dit leven niet onkwetsbaar, maar wij zijn wel onschendbaar.

De drie-enige God is met ons: na de Zoon en de Vader nu aandacht voor de Heilige Geest: die maakt dat ik zekerheid ontvang over mijn eeuwige toekomst. En Hij bewerkt dat ik wil leven voor God.

Vraag 2: Wat moet je weten om door deze troost gelukkig te leven en te sterven?

Antwoord: Ten eerste hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Ten tweede hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost word. Ten derde hoe ik God voor zo’n verlossing dankbaar moet zijn. 

Hier wordt je als gelovig Christen aangesproken. Deze 3 punten zijn dus niet 3 fases die je achtereenvolgens doormaakt als je gaat geloven, maar het zijn op ieder moment van je leven 3 aspecten van je geloof. Je leven lang moet je groeien in het doorgronden van alle 3  aspecten. Dat maakt dat je onder alle omstandigheden een gelukkig mens kunt zijn.

Vraag 3: Waaruit kent je jouw ellende?

Antwoord: Uit de wet van God. 

Ellende is een woord dat ontleend is aan “uitlandigheid”, aan ballingschap: we zijn vervreemd geraakt van God. Het paradijs is onbereikbaar geworden. De wet laat zien hoe het paradijsleven was, toen God woonde bij de mensen. Christus heeft die wet nageleefd: hij had zijn Vader volkomen lief, en hield van zijn naaste als van zichzelf. Door te zien naar de gehoorzaamheid van Christus besef je hoe zeer je zondaar bent. Wij staan als schuldige mens voor God, als schuldig schepsel voor onze Schepper.

Vraag 4: Wat eist God in zijn wet van ons?

Antwoord: Dat leert Christus ons in een samenvatting, Mattheüs 22:37-40: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten. 

Wat God van ons eist, dat leren we van Christus! Op de strikvraag van een wetgeleerde over wat het grootste gebod in de wet was, geeft Jezus als samenvatting: Totale liefde tot God en totale liefde tot je naaste. Daarmee citeert onze Heiland Deuteronomium 6:5 en Leviticus 19:18. Zo vat Christus samen wat in heel de Bijbel staat (de Bijbel bestond op dat moment uit het Oude Testament, ofwel uit de “Wet en de Profeten”).

Vraag 5: Kun je dit alles volbrengen?

Antwoord: Nee, want naar mijn aard ben ik erop uit om God en mijn naaste te haten. 

Onze realiteit is: we hebben God niet volkomen lief, en we houden niet van de naaste als van onszelf. Sterker nog: van onszelf haten we God en onze naaste. Zo wordt duidelijk: door de wet word ik niet gered, maar de wet veroordeelt mij juist.

Vraag 6: Heeft God de mens dan zo slecht en verkeerd geschapen?

Antwoord: Nee, God heeft de mens goed en naar zijn beeld geschapen, dat wil zeggen: in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God, zijn Schepper, naar waarheid kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige heerlijkheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.

God heeft de mens geschapen. We zijn maar niet een product van evolutie. Evolutie zou betekenen dat we nog steeds in ontwikkeling zijn. Maar hier wordt gezegd dat juist in het begin alles goed was!

Vraag 7: Waaruit komt deze verdorven aard van de mens dan voort?

Antwoord: Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs; want daar werd onze natuur zo verdorven, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden. 

Adam en Eva: ze zijn gevallen, dus slachtoffer. Maar ook: ongehoorzaam aan hun God en schepper: de mens is verantwoordelijk voor wat hij doet. Is het plukken van een vrucht dan zo’n grote overtreding? Ja, want God had het verboden. Adam en Eva, zij beiden zijn schuldig. En zo zijn ook wij vanaf onze geboorte mede schuldig: dit is wat we erfzonde noemen. Wij zijn evenzeer schuldig als Adam en Eva.

Vraag 8: Maar zijn wij zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit op elk kwaad?

Antwoord: Ja, behalve wanneer wij door de Geest van God opnieuw geboren worden.

Uit onszelf kunnen we niets goeds doen. Wat dat betreft is onze situatie uitzichtloos. Maar er is hoop: als we opnieuw geboren worden, dan is er toekomst: een nieuw paradijs.

Vraag 9: Doet God de mens dan geen onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan?

Antwoord: Nee, want God heeft de mens zo geschapen, dat hij dit kon doen. Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, op ingeving van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd. 

Legt God de lat niet te hoog? Hij vraagt toch iets wat we niet kunnen? Opnieuw wordt gesteld: we konden het wel, maar hebben er moedwillig afstand van gedaan.

Vraag 10: Wil God zo’n ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?

Antwoord: Beslist niet, maar God vertoornt Zich verschrikkelijk, zowel over de zonde die ons aangeboren is als over de zonden die wij doen. Hij wil die dan ook door een rechtvaardig oordeel in tijd en eeuwigheid straffen, want Hij heeft gezegd: Vervloekt is een ieder die zich niet houdt aan alles wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.

God straft de zonde, in deze tijd en in de eeuwigheid. De moderne mens heeft het moeilijk met het spreken van de Schrift over de hel en over de eeuwige straf. Ze wil God alleen zien als lijdende God, een God die met de mensen meelijdt, en zou God dan straffen, eeuwig straffen? Maar ook het nieuwe testament zegt: “vervloekt is een ieder die zich niet houdt aan alles wat geschreven is in het boek van de wet om dat te doen”. (Galaten 3)

Vraag 11: Maar God is toch ook barmhartig?

Antwoord: God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. Daarom eist zijn gerechtigheid dat de zonde, die tegen de allerhoogste majesteit van God begaan is, ook met de zwaarste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft wordt. 

God is toch liefde? Hij wil toch niet straffen, dat past toch niet bij Hem? Ja, God is liefde, Hij is barmhartig. Maar Hij is ook rechtvaardig. Allebei, zo was God, is Hij en zal Hij zijn. En wel voor altijd, voor eeuwig.

Vraag 12: Hoe kunnen wij aan deze straf ontkomen en weer in genade aangenomen worden, nu wij naar Gods rechtvaardig oordeel straf in tijd en eeuwigheid verdiend hebben?

Antwoord: God wil dat aan zijn gerechtigheid wordt voldaan. Daarom moeten wij òf zelf òf door een ander volkomen betalen. 

Ik ben dus schuldig en daarom verdien ik straf. Maar kan God ons weer in genade aannemen, weer maken zoals het ooit was in het paradijs? Het antwoord is: God eist genoegdoening, volledige betaling. Wij moeten God “gerechtigheid betalen”, zelf, of door iemand anders.

Vraag 13: Maar kunnen wij zelf betalen?

Antwoord: Op geen enkele manier. Wij maken de schuld juist elke dag groter. 

Van de beide alternatieven: zelf betalen of door een ander betalen, kiest de vragensteller nu voor de eerste optie. Maar die route wordt de pas afgesneden: het is onmogelijk, sterker nog: per dag groeit onze schuld voor God.

Vraag 14: Kan een schepsel dat alleen maar schepsel is, voor ons betalen?

Antwoord: Nee, want ten eerste wil God geen ander schepsel straffen voor de schuld die de mens gemaakt heeft; ten tweede kan ook geen schepsel dat alleen maar schepsel is, de last van de eeuwige toorn van God tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen.

Als we dan niet zelf kunnen betalen, is er dan misschien geen betaling mogelijk door een ander schepsel? Nee, God wil niet door het bloed van dieren-offers worden betaald: de mens zelf zal moeten betalen. Tegelijk is een schepsel ook niet in staat Gods toorn te overleven.

Vraag 15: Wat voor een Middelaar en Verlosser moeten wij dan zoeken?

Antwoord: Een Middelaar die een echt en rechtvaardig mens is en toch sterker dan alle schepselen, dat wil zeggen: die tegelijk echt God is. 

Paulus zegt het aan Timotheüs (2:5): Er is maar 1 middelaar tussen God en mensen: de mens Christus Jezus. Hij is middelaar en verlosser. Jezus is zijn naam, dat betekent Verlosser. Johannes de Doper zei: “Zie het lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt”`. Jezus Christus heeft al onze schuld betaald met zijn bloed.

Vraag 16: Waarom moet de Middelaar een echt en rechtvaardig mens zijn?

Antwoord: Omdat Gods gerechtigheid eist, dat de menselijke natuur, die gezondigd heeft, ook voor de zonde betaalt, en een mens die zelf zondaar is, niet voor anderen kan betalen. 

In de geschiedenis van Ruth wordt haar schuld overgenomen door Boaz, hij was losser. Hij kon dat zijn omdat hij familie was. Zo is ook Jezus mens: hij is als het ware uit onze familie. Als echt mens moet hij de schuld betalen. Hij moest ook rechtvaardig mens zijn, zonder zondeschuld.

Vraag 17: Waarom moet de Middelaar tegelijk echt God zijn?

Antwoord: Om uit kracht van zijn godheid de last van Gods toorn aan zijn menselijke natuur te kunnen dragen, en ons de gerechtigheid en het leven te kunnen verwerven en teruggeven.

Onze middelaar moet ook tot God komen, Hij moet ook God zijn. Alleen zo kon Hij de toorn van God verdragen, alleen zo kom Hij ons het paradijsleven weer teruggeven.

Vraag 18: Wie is dan deze Middelaar, die echt God en tegelijk een echt en rechtvaardig mens is?

Antwoord: Onze Here Jezus Christus, die ons door God geschonken is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en tot een volkomen verlossing.

Met al zijn titels wordt Jezus hier als middelaar genoemd: onze Heer Jezus Christus. Door hem ontvangen we rechtvaardigheid EN heiliging. Zo worden we in zijn wijsheid volkomen verlost.

Vraag 19: Waaruit weet je dat?

Antwoord: Uit het heilig evangelie. God heeft dat eerst zelf in het paradijs geopenbaard. Daarna heeft Hij het door de heilige aartsvaders en profeten laten verkondigen. Ook heeft Hij dat evangelie van tevoren laten afbeelden door de offers en andere schaduwachtige gebruiken die Hij in de wet had voorgeschreven.  Tenslotte heeft Hij het door zijn eniggeboren Zoon vervuld. 

Iemand vroeg eens aan Jezus: zijn het weinigen die behouden worden? Jezus antwoord dan: “strijd om in te gaan door de smalle poort, want velen, zeg ik u, zullen trachten in te gaan, maar het niet kunnen. (Lucas 13:23). Jezus zegt hier tegen de vragensteller: je moet geloven, dat is ingaan door de smalle poort van het koninkrijk. Je moet jezelf totaal verloochenen en op Gods beloften zien. Een andere weg om in te gaan dan geloof is er niet.

Vraag 20: Krijgen dan alle mensen door Christus het heil terug, zoals zij in Adam veroordeeld zijn?

Antwoord: Nee, maar alleen zij die door waar geloof bij Hem worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen.

Als er erfzonde is, bestaat er dan ook zoiets als erf-genade? Nee, er is alleen de weg van geloof, alleen zo krijg je redding. God geeft ons vergeving uit genade. En wij moeten dat door geloof aannemen. God geeft, en wij zijn verantwoordelijk om dat te geloven. Alleen als we geloven, ontvangen we ook de gaven van Christus.

Vraag 21: Wat is waar geloof?

Antwoord: Waar geloof is een stellig weten waardoor ik alles voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. Tegelijk is het een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil door God geschonken zijn, enkel uit genade, alleen op grond van de verdienste van Christus.

We zagen hiervoor: alleen door geloof wordt je gered, maar wat is dan geloven precies? Je hebt echt geloof als je alles wat in de Bijbel staat als betrouwbare informatie beschouwt. En tegelijk dat je vertrouwt dat de gaven van Christus ook voor jou persoonlijk zijn. Die gaven zijn gerechtigheid en heiligheid, beide van eeuwige kwaliteit. Het geloof ontstaat doordat de Heilige Geest door Gods woord werkt in ons hart.

Vraag 22: Wat moet een christen geloven?

Antwoord: Alles wat ons in het Evangelie beloofd wordt. Daarvan geven de artikelen van ons algemeen en ontwijfelbaar christelijk geloof een samenvatting. 

Je moet geloven alles wat je in de Bijbel wordt beloofd. Er staat niet: alles wat er wordt geleerd in de Bijbel. Geloven is niet dat je een aantal dogma’s aanvaardt. Geloven is dat je Gods beloften gelooft. De 12 Artikelen geven een samenvatting: niet maar een samenvatting van de leer van de kerk, maar vooral en in de eerste plaats een samenvatting van Gods beloften.