Niet wij hebben voor God gekozen, maar God kiest voor ons. Dat is een groot voorrecht, vooral als je beseft dat God niet iedereen redt van de doodstraf. Adam en Eva hadden ooit die straf willens en wetens over zich en de mensheid afgeroepen. God is een God vol liefde, maar ook vol van recht.  Hij kon daarom de zonde van Adam en Eva niet negeren. Tegelijk wilde God mensen redden die Hij had uitgekozen. En daarom heeft zijn Zoon in plaats van ons de straf ondergaan en heeft Jezus in plaats van ons goed geleefd. Dit bevrijdende nieuws moeten we doorgeven,  en mensen oproepen tot geloof en bekering. Dit is een taak van levensbelang. Onze oproep tot bekering zal niet altijd tot het gewenste resultaat leiden. De meeste mensen zullen het domweg afwijzen of naast zich neerleggen. Ook als mensen wel gaan geloven,  is  hun geloof niet altijd echt. Dagelijkse beslommeringen, oppervlakkigheid, zorgen, of juist genieten: het kan ertoe leiden dat het geloof ondergesneeuwd raakt. De echte gelovigen zijn te herkennen aan het feit dat ze goed leven. Goed leven hoort bij geloof, zoals een appel bij een appelboom. Als je goed leeft kan dat namelijk alleen maar als God dat in jou bewerkstelligt, uit jezelf kun je het niet.  Als een gelovige goed leeft is dat ook te merken:  hij weet zich klein, hij toont kinderlijke eerbied voor God, hij leeft gehoorzaam zoals God dat wil, hij bidt voortdurend en intensief, hij blijft vechten tegen verleidingen, hij draagt zijn kruis, hij komt uit voor de waarheid van Gods woord, en hij vindt vreugde in het feit dat hij God mag kennen. Door zo goed te leven oefen je in dankbaarheid. Als je deze houding bij jezelf ervaart, weet je zeker dat je echt gelooft.

Het is overigens niet zo dat niet-gelovigen helemaal geen goede dingen doen. Dat doen ze wel degelijk, je kunt daarin nog merken dat er resten overgebleven zijn van Gods goede schepping. Maar hun manier van goed leven is altijd vermengd met eigenbelang. Daarbij: alleen al omdat ze God niet voor hun goede leven danken, maakt dat het zonde is. Maar als je bekeerd bent, wil je juist God gaan gehoorzamen en verlang je ernaar om zo goed te leven. Dat gebeurt met vallen en opstaan, de Bijbel staat vol van grote gelovigen die diep zijn gevallen.  Omdat je als gelovige steeds in zonde valt, moet je ook steeds bidden: leid mij niet in verzoeking. En als je hebt gezondigd, moet je steeds opnieuw vragen om vergeving. Zo blijf je nederig in je geloof. En zo geef je alle eer aan God.

God verandert nooit van mening. Zijn keuze voor ons is voor eens en altijd. De duivel probeert gelovigen wel bij God weg te trekken, maar het zal hem nooit lukken.

Je moet bij alles vertrouwen op Christus’ leven en dood.  Niet mijn geloof of mijn goede leven redt me, alleen het bloed van Christus is mijn redding. We moeten als gelovige ook de Bijbel lezen, bestuderen en erover nadenken. En ons geloof wordt ook sterker door doop en avondmaal.

De manier waarop God mensen uitkiest, en tot geloof en bekering brengt, vinden veel mensen maar raar of irritant. Maar Gods kerk komt voor deze waarheid op, en geeft zo God alle eer die Hem toekomt.